niet-zeggen-angststoornis

7 dingen die je niet moet zeggen tegen iemand met een angststoornis

Ken je iemand met een (vermoede) angststoornis? Soms kan het in dit soort situaties heel lastig zijn om in te schatten wat je wel of niet tegen iemand moet zeggen. Vaak bedoelen we het goed, maar deze 7 dingen kan je beter niet zeggen, want die kunnen de situatie juist verergeren. Wij laten je zien wat je dan wél zou kunnen zeggen. Lees je mee?

Lees ook: ‘6 veelvoorkomende symptomen van angst-/paniekaanvallen en hoe je ze herkent

1. “Ik weet het, ik vind het ook eng

Ergens kan dit natuurlijk waar zijn, want angst is een universele biologische reactie. Het zijn natuurlijke processen die onderdeel zijn van je leven, ze beschermen en motiveren ons. Maar het is niet hetzelfde om jouw ‘normale’ angstgevoelens te vergelijken met de gevoelens van iemand die een angststoornis heeft. Hun gevoelens zijn namelijk intenser en verstoren hun mogelijkheid om dagelijkse taken te doen. Ook zijn hun symptomen vaak lastig onder controle te houden zonder de juiste hulp.

Wat je wel kan zeggen: “Je lijkt heel angstig, dat voelt vast niet fijn. Ik ben er voor je, wat kan ik doen om je te helpen?” Zo bied je een milde maar directe vorm van hulp aan die aangeeft dat je de angst erkent en er bent om te luisteren en te helpen.

2. “Doe gewoon rustig aan”

Door dit te zeggen geef je degene die angstgevoelens ervaart het idee dat je hem/haar niet serieus neemt. Je vertelt diegene namelijk iets te doen wat voor hem/haar niet makkelijk is. Als ze rustig aan konden doen, deden ze dat wel, dus deze reactie roept waarschijnlijk frustratie en nog meer angst op. Misschien gaan ze wel denken “wat is er mis met me? Waarom kan ik niet kalmeren? Anderen vinden dit niet eng.” Hierdoor gaan ze zich verdrietig en schuldig voelen.

Wat je wel kan zeggen: “Laten we iets doen om onze gedachten te verzetten. Wil je een stukje wandelen of een kopje thee drinken?” Iemand meteen angststoornis kan niet de knop omzetten en gewoon ontspannen. Zorg er daarom voor dat je ze terughaalt naar het heden, bijvoorbeeld met een wandeling of een grappige video of door het er gewoon over te hebben. Zorg in ieder geval dat je ze niet beveelt te kalmeren, maar help ze kalmeren.

3. “Stel je niet zo aan”

Angststoornissen worden vaak gezien als aanstelleritis, alsof je er wel vanaf komt als je gewoon wat sterker in je schoenen staat. Maar degene met de angststoornis kan zijn/haar reacties op angst niet onder controle houden en dan werkt tough love helaas niet. Sterker nog, waarschijnlijk voelen ze zich erna nog slechter, omdat ze niet weten waarom het ze niet lukt ermee op te houden. Hierdoor kunnen ze zelfs nog meer angstgevoelens gaan ontwikkelen.

Wat je wel kan zeggen: “Waar ben je nu het meest bang voor en hoe kan ik ervoor zorgen dat dat minder wordt?” Met deze reactie valideer je hun gevoelens en bied je een behulpzame manier aan om te vertellen wat ze dwars zit.

4. “Maak je niet druk, er is niets aan de hand”

Deze is lastig. Mensen met een angststoornis krijgen vaak te maken met denktrucs: ze focussen zich op het slechtst mogelijke scenario. Het is dan verleidelijk om ze gerust te stellen dat hun grootste angst niet zal uitkomen, maar dit heeft vaak het tegenovergestelde effect. Voor hen is dat namelijk moeilijk te geloven en je kan die garantie niet geven. Als ze vervolgens geconfronteerd worden met hun angst en het pakt niet goed uit, zullen ze zich voelen alsof ze hebben gefaald.

Wat je wel kan zeggen: “Als er iets slechts gebeurt is dat niet leuk, maar je komt daar wel doorheen. En ik help je de hele tijd!” Je kan geen rooskleurige toekomst voorspellen, maar wel zorgen dat je er voor hen bent.

5. “Denk gewoon aan iets anders”

Wist je dat het moeilijker is om een angstgedachte uit je hoofd te krijgen dan te accepteren dat je de gedachte hebt en het los te laten? Als je tegen iemand zegt dat ze niet aan een roze olifant mogen denken, is dat waarschijnlijk het enige waar ze aan zullen denken. Dat is hoe zorgen werken: des te harder je probeert er niet aan te denken, des te sterker ze worden.

Wat je wel kan zeggen: “Ik weet dat je je hier heel angstig bij voelt. Als je erover wil praten of van tevoren wil oefenen hiermee, weet je me te vinden.” Het helpt om de angstgedachte te erkennen in plaats van te ontkennen dat hij er is.

6. “Je hoeft niet te komen als je niet wil”

Er is een dunne scheidingslijn tussen begripvol zijn en té faciliterend zijn. Als je een feestje met 20 man geeft en weet dat je vriendin met angst zich daar niet prettig bij voelt is het verleidelijk om tegen haar te zeggen dat ze niet hoeft te komen. Maar dit bevestigt voor haar juist haar angst en zorgt ervoor dat ze zich verdrietig en schuldig voelt dat ze jou hiermee opzadelt.

Wat je wel kan zeggen: “Ik weet dat het jouw ding niet is, maar je bent altijd welkom. Ik denk dat je goed met een van mijn vriendinnen overweg zou kunnen.” Het is handiger om met een plan te komen voor hoe ze wél kunnen komen, aangezien mensen met angstproblemen zich prettig voelen bij concrete plannen.

7. “Dit is gewoon een fase, daar groei je wel overheen”

Als iemand echt een angststoornis heeft, zal dat niet uit zichzelf weer weggaan en groeien ze daar niet overheen. Sterker nog, door deze uitspraak kan je zelfs voorkomen dat ze de hulp gaan zoeken die ze nodig hebben. Als iemand die je kent worstelt met angstgedachten, stel dan eens voor om met een professional te gaan praten. Het gaat om de intensiteit van de klachten: als de angstgedachten iemands leven overnemen en hem/haar beperken in hun dagelijkse bezigheden, is het tijd om hulp te zoeken.

Wat je wel kan zeggen: “Ik vind het vervelend om te zien dat je hiermee worstelt en ik maak me zorgen om je. Als je overweegt om met iemand te gaan praten, ben ik er voor je en wil ik je ook helpen om de juiste persoon te vinden.”  

Bron: Realsimple.com

Gerelateerde artikelen