stotteren

Lydia leerde leven met stotteren: “Eindelijk schaam ik me er niet meer voor”

Van een simpel telefoontje kon ze uren wakker liggen. En een vraag stellen in een winkel? No way. Tegenwoordig kan het Lydia van der Weide (50) niets meer schelen dat ze stottert. Nou ja, bijna niets.

“Ik was twaalf toen het begon; een spichtig meisje met een grote bril en sproeten. Van de basisschool ging ik naar de middelbare school. In dat grote gebouw, met honderden kinderen die door de gangen renden, in een klas waar ik bijna niemand kende, voelde ik me niet op mijn gemak. Ik vond het afschuwelijk als alle aandacht op mij was gericht. Dat gebeurde natuurlijk vooral als ik de beurt kreeg in de klas, dan was het alsof er een strop om mijn hals werd getrokken. De woorden wilden niet komen, bleven plakken in mijn keel. Dan hapte ik naar adem en spuugde ze haperend en hakkelend uit. Ook buiten beurten in de klas begon ik te stotteren. Hoewel ik er gelukkig nooit mee ben gepest, schaamde ik me er verschrikkelijk voor. Elke ochtend wist ik precies hoe het rooster zou zijn, welke uren ik ‘veilig’ was – bij gym bijvoorbeeld – maar ook wanneer het gevaar heel dichtbij was. Spreekbeurten waren de hel. Een keer kreeg ik een vijf voor Nederlands. “Dit kan zo echt niet, dat spreken van jou”, zei de leraar bot. Maar er was nul hulp of begeleiding vanuit school.

Ik was twaalf toen het begon; een spichtig meisje met een grote bril en sproeten. Van de basisschool ging ik naar de middelbare school. In dat grote gebouw, met honderden kinderen die door de gangen renden, in een klas waar ik bijna niemand kende, voelde ik me niet op mijn gemak. Ik vond het afschuwelijk als alle aandacht op mij was gericht. Dat gebeurde natuurlijk vooral als ik de beurt kreeg in de klas, dan was het alsof er een strop om mijn hals werd getrokken. De woorden wilden niet komen, bleven plakken in mijn keel. Dan hapte ik naar adem en spuugde ze haperend en hakkelend uit. Ook buiten beurten in de klas begon ik te stotteren. Hoewel ik er gelukkig nooit mee ben gepest, schaamde ik me er verschrikkelijk voor. Elke ochtend wist ik precies hoe het rooster zou zijn, welke uren ik ‘veilig’ was – bij gym bijvoorbeeld – maar ook wanneer het gevaar heel dichtbij was. Spreekbeurten waren de hel. Een keer kreeg ik een vijf voor Nederlands. “Dit kan zo echt niet, dat spreken van jou”, zei de leraar bot. Maar er was nul hulp of begeleiding vanuit school.”

Frustratie en eenzaamheid

“Mijn ouders, lief en betrokken, wisten ook niet wat ze ermee aan moesten. Internet bestond nog niet, het was een andere wereld. Ze dachten: iedereen heeft wel wat, misschien groeit ze eroverheen. Onze buurman van een jaar of veertig, vijftig, die ook stotterde, had daar een hard hoofd in. Sussend vertelde hij mijn ouders: “Als ze mijn leeftijd heeft, zit ze er heus niet meer mee.” Het is maar goed dat ik dat niet wist. Want veertig, vijftig, dat leek in mijn puberteit oneindig ver weg. Lang wilde ik mijn probleem niet als stotteren zien, trouwens. Meestal begint dat namelijk veel eerder, als je nog heel jong bent. En ik blijf niet klassiek hangen op letters. Mijn spraak wordt eerder gekenmerkt door haperingen of pauzes. Later ontdekte ik pas dat iedereen die stottert dat op een eigen, karakteristieke manier doet. Maar wat je erbij ervaart, denkt en voelt is vrijwel altijd hetzelfde. Frustratie, omdat dat wat je in je hoofd zo perfect weet, er niet uitkomt. Eenzaamheid, omdat je je gevoelens niet goed kunt uiten. Moedeloosheid, omdat je niet weet hoe je dit ooit kunt veranderen. En schaamte, omdat je het gevoel hebt dat je voor gek staat en omdat je er zelf ook niets van snapt. Want er waren ook genoeg momenten dat ik er géén last van had. Als ik alleen was, ging die spreekbeurt wél perfect. Ook tegen onze kat sprak ik vloeiend. Als ik op mijn gemak was, leek er niets aan de hand. Tot ik weer zomaar struikelde over mijn woorden.”

Al die hindernissen

Ik wilde dolgraag van mijn probleem af en volgde door de jaren heen meerdere therapieën. Op mijn vijftiende ging ik voor het eerst naar een logopedist. Later deed ik verschillende groepstherapieën, de een was gericht op ontspanning en acceptatie, de ander op vloeiend leren spreken door je middenrif te trainen. Alles hielp wel een beetje, maar nooit helemaal, en nooit blijvend. Ik bleef dromen dat ik op een dag wakker zou worden en het zomaar over zou zijn. En dat al die hindernissen die ik tegenkwam verdwenen waren. Zoals telefoneren, wat zag ik daar altijd tegenop. En toen ik jong was, bestond er nog geen WhatsApp of e-mail. Treinkaartjes kopen, ook zoiets. Voor het loket staan, haastige mensen achter me, en dan snel zeggen wat ik wilde: onmogelijk. Dus legde ik een briefje neer. Bestellen aan een drukke bar. Iets vragen in de winkel. De weg vragen op straat. En nog wel triljoen andere, doodgewone situaties die voor mij verre van gewoon waren: ik ging ze het liefst uit de weg. Want stotteren heeft nog een andere kant dan blijven hangen op bepaalde woorden. Bij vrijwel iedereen is wat buitenstaanders zien maar het topje van de ijsberg; daaronder zit alles wat je níet doet, wat je niet zegt, wat je niet durft. Kansen die je aan je voorbij laat gaan. En al die keren dat je je mening inslikt.

ALS IK ALLEEN WAS, GING DIE SPREEKBEURT WÉL PERFECT, EN OOK TEGEN ONZE KAT SPRAK IK VLOEIEND’

Een leuk en sociaal leven

“Zielig heb ik me nooit gevoeld. Vanaf mijn zeventiende was ik mijn verlegenheid wel kwijt. Ik had veel vriendinnen en vrienden, studeerde, ging uit, had scharrels en grote liefdes. Ik was gek op reizen en woonde een paar jaar in Rome als au pair. Hoewel het stotteren altijd sluimerend aanwezig was, liet ik me sociaal gezien niet tegenhouden. Met werk lag het ingewikkelder. Ik wist niet wat ik wilde, durfde daar ook niet goed over na te denken. Want hé: niemand zat toch te wachten op iemand die stottert? Die niet eens de telefoon fatsoenlijk kan opnemen? Ik koos voor Europese studies, waar ik inrolde omdat het toevallig op mijn pad kwam, net als alle baantjes die ik daarna kreeg. Pas na mijn dertigste durfde ik te doen waar ik stiekem al heel lang van droomde. Journalist worden!Ik schreef altijd al veel. Woorden op papier waren magisch voor me. Op die manier kon ik namelijk wél precies zeggen wat er in mijn hoofd zat.

Ik waagde de sprong, benaderde magazines met verhalen – per e-mail natuurlijk, want gelukkig was er internet – en in no time had ik opdrachten. Mijn leven veranderde totaal en mijn zelf- vertrouwen kreeg een boost. Eindelijk deed ik iets wat ik wilde en waar ik goed in was. En mijn gestotter bleek zelfs geen beperking. Ik merkte elke keer weer dat niemand ermee zat; opdrachtgevers niet, mensen die ik interviewde niet. En als ik aan de telefoon eens haperde, gooide niemand de hoorn erop. Ik ontdekte zelfs dat er ook positieve kanten zaten aan het stotteren: ik deed veel persoonlijke interviews over heftige onderwerpen. Mensen vond het soms eng om zo’n gesprek te voeren. Dat ik niet vloeiend uit mijn woorden kwam, maakte mij alleen maar menselijk en sympathiek. Bovendien had mijn probleem voor een groot inlevingsvermogen gezorgd. Ik zal nooit iemand veroordelen, heb altijd begrip. Een belangrijke eigenschap in mijn werk.”

‘WOORDEN OP PAPIER VOND IK MAGISCH. OP DIE MANIER KON IK WÉL ZEGGEN
WAT ER IN MIJN HOOFD ZAT’

Toch nog schaamte

“Maar toch: natuurlijk had ik liever vloeiend gesproken. Lang is er toch een bepaalde schaamte gebleven. Al benadrukten mensen in mijn omgeving altijd weer dat ik me niet zo druk moest maken. Dat mijn haperingen zelfs wel charmant waren. Maar ik bleef ervan balen. Als ik veel haperde, kon ik zelfs bij mijn beste vriendin of mijn geliefde denken: wat zal het irritant zijn om naar mij te moeten luisteren! En er waren nog steeds situaties waar ik tegenop zag: borrels, brainstorms en feestjes waar ik maar weinig mensen kende. Maar gelukkig merkte bijna niemand daar wat van.”

Lees ook:App voor stotteraars

Rust en acceptatie

“Afgelopen jaar heb ik opnieuw grote stappen gezet. Ik volgde een opleiding tot NLP- coach. Bij zo’n opleiding ga je zelf ook weer door de molen. Met behulp van allerlei technieken en door hypnose ervaar ik nu meer rust en acceptatie wat het stotteren betreft. Ik heb zelfs leren spreken in het openbaar! Ik durf te zeggen dat de schaamte echt weg is. Ik realiseer me meer dan ooit dat ik er niets aan kan doen als ik niet vloeiend uit mijn woorden kom. Het is geen teken van zwakte. Ik ben niet slap of dom. En de enige voor wie het onprettig is, dat ben ik zelf. Als praten moeilijk gaat, kost het me namelijk veel energie en aandacht om mijn spraak aan te sturen. Dat is jammer: ik zou die energie liever voor iets anders gebruiken. Maar anderen valt het amper op. En zelfs als dat wel zo zou zijn: nou en? Eigenlijk is er nog maar één ding wat soms lastig is. Dat is mijn naam zeggen, als ik me voorstel. Maar als er dan eerst een paar keer ‘eh’ uitkomt, en ik mensen verbaasd zie kijken – want hallo, wie kent zijn naam nu niet? – kan ik daar nu om lachen. Verder zie ik het stotteren vooral als een signaal. Als het spreken minder soepel gaat, weet ik dat ik meer rust moet nemen. Wat afspraken moet afzeggen en lekker moet gaan uit- waaien op het strand. En vooral niet zulke hoge eisen aan mezelf moet stellen. Ik ben blij dat het me is gelukt vrede te sluiten met mezelf. En wie weet kan ik daar anderen mee helpen: als coach wil ik me gaan richten op mensen die stotteren. Maar ik blijf ook schrijven. Zwarte letters op een witte achtergrond zien verschijnen, vind ik nog steeds heerlijk. Want dat gaat vloeiend!”

Beeld: Getty Images | Dit verhaal komt uit Santé november 2019